openbaar vervoer

Vrolijk in de drup

Gisteren een heel plezierige stadstour gedaan met een groep Engelsen en een bijzonder leuke dame uit Wales. Onderweg werden we overvallen door twee enorme stortbuien waarvoor we eerst schuilden in een portiek op de Aardappelmarkt en later in de onderdoorgang van de Grote Markt naar het Scheffersplein, waar het toenmalige gemeentebestuur tijdens de stadssanering van de jaren zestig in een onvergeeflijke aanval van megalomanie het waaggebouw heeft laten afbreken. Met veel humor werd aan de buien het hoofd geboden en toen we ondanks het schuilen tot de conclusie kwamen dat we niet natter konden worden, hebben we ons vrolijk van de regen in de drup gewaagd. Terug bij het riviercruiseschip vond de dame uit Wales dat anderhalf uur toch eigenlijk veel te kort is om een prachtstad als Dordrecht te verkennen. Ze had groot gelijk, maar wil je al onze bijna tweeduizend gemeentelijke en rijksmonumenten bewonderen, dan moet je daar toch zeker een paar dagen voor uittrekken.

Ondertussen jubelden de planten in mijn tuin over al het water dat zo plotseling, na een forse droogte, over hen werd uitgestort. De regenton zit ook weer goed vol en het fijnstof van de doorgaande weg, honderd meter verderop, is weer even weggespoeld. Onvoorstelbaar hoe smerig het tuinmeubilair wordt van het verkeer dat daar voorbij komt.

Gelukkig is het de komende tijd een beetje rustig omdat het vakantietijd is en nogal wat stadgenoten in hun automobiel op weg zijn naar de bosbranden in Frankrijk, vermoed ik. Ik blijf lekker op mijn eiland, zodat ik geen last heb van de werkzaamheden aan de Moerdijkbrug, die aan het spoor naar Rotterdam, de afgesloten Papendrechtse brug en het verbod op het meenemen van fietsen in de boemel naar Geldermalsen. Allemaal feestelijkheden in een en dezelfde week. Dat verbod en die brugafsluiting gaan trouwens nog maanden duren. Dat zie ik maar als een ongewenste toegift.

Door |2026-07-27T10:09:59+00:0027 juli, 2026|Tags: , , , |0 Reacties

Stoere meisjes

Even op de Reeweg sambal-saucijzen- en kaasbroodjes gehaald. Vier dagen lunch voor negen euro. Het is een goede bakker, maar op maandag gesloten. Dat was ik gisteren even vergeten. ’s Middags moest ik naar de mondhygiëniste. Voor het gemak maar een keer niet geluncht. Ik nam de bus omdat ik geen zin had om tegen de wind in te fietsen. Moet ik een elektrische fiets kopen? Ik twijfel.

De behandeling viel mee. Misschien vanwege het elektrisch poetsen. Ik vind dat een crime, ik hecht nogal aan de borstel, maar het lijkt dus niet tevergeefs. Op de terugweg stapten drie jongens en twee meisjes de bus in. Ze waren in een uitbundige stemming, maar in een taal die ik niet verstond. Ik vermoed Oekraïense studenten van het Da Vinci College. Stoere meisjes, want ze waren kort gerokt met blote benen en er stond een vervelend schrale wind.

Ik mocht na de behandeling een uur niet eten en drinken. Daarna dreigde er regen. Ik besloot thuis aan het literair dagboek te blijven werken in plaats van nat in de kroeg aan te komen. Ik schreef in 1989 al: ‘Iedereen die de term ‘het volk’ op de punt van de tong heeft dient ernstig te worden gewantrouwd.’ Na het eten was ik het herschrijven zat. Een uitgebreid bericht gestuurd aan collega Ronald Peters Favier, bekend van de dichtbundel Rotterdams werk (en meer). Daarna twee afleveringen van Dad’s Army bekeken. Een leukere komedie dan de Nederlandse politiek.

Door |2025-11-18T09:29:59+00:0011 november, 2025|Tags: , |0 Reacties
Ga naar de bovenkant