Even op de Reeweg sambal-saucijzen- en kaasbroodjes gehaald. Vier dagen lunch voor negen euro. Het is een goede bakker, maar op maandag gesloten. Dat was ik gisteren even vergeten. ’s Middags moest ik naar de mondhygiëniste. Voor het gemak maar een keer niet geluncht. Ik nam de bus omdat ik geen zin had om tegen de wind in te fietsen. Moet ik een elektrische fiets kopen? Ik twijfel.

De behandeling viel mee. Misschien vanwege het elektrisch poetsen. Ik vind dat een crime, ik hecht nogal aan de borstel, maar het lijkt dus niet tevergeefs. Op de terugweg stapten drie jongens en twee meisjes de bus in. Ze waren in een uitbundige stemming, maar in een taal die ik niet verstond. Ik vermoed Oekraïense studenten van het Da Vinci College. Stoere meisjes, want ze waren kort gerokt met blote benen en er stond een vervelend schrale wind.

Ik mocht na de behandeling een uur niet eten en drinken. Daarna dreigde er regen. Ik besloot thuis aan het literair dagboek te blijven werken in plaats van nat in de kroeg aan te komen. Ik schreef in 1989 al: ‘Iedereen die de term ‘het volk’ op de punt van de tong heeft dient ernstig te worden gewantrouwd.’ Na het eten was ik het herschrijven zat. Een uitgebreid bericht gestuurd aan collega Ronald Peters Favier, bekend van de dichtbundel Rotterdams werk (en meer). Daarna twee afleveringen van Dad’s Army bekeken. Een leukere komedie dan de Nederlandse politiek.