Na het uitlezen van het prachtig geschreven, maar beklemmende boek ’t Hoge Nest van Roxane van Iperen, begonnen aan het vierde dagboekdeel van J.J. Voskuil. Een flinke overgang mag ik wel zeggen. Voskuil zelf is al geen lachebekje, maar zijn vrouw Lousje, in het boek L., alsof we niet weten wie er wordt bedoeld, lijkt me iemand waarmee onmogelijk samen is te leven. Dat Voskuil dat tot zijn einde is gelukt is bewonderenswaardig. Er moet aan hem, al vind ik Het Bureau een geniale romanserie, ook een behoorlijke steek los hebben gezeten.

Buiten regent het zachtjes en is het nog geen twintig graden. ‘Heerlijk,’ zeggen al die goedwillende, maar onwetende bekenden van me als ik zeg dat ik naar Griekenland ga, ook al vertel ik honderd keer dat ik hier niet op vakantie ben, maar op werk- en familiebezoek. Soms krijg ik daar een Voskuilachtig humeur van, al kunnen die mensen er ook niets aan doen. Griekenland, dat is voor hen zon, zee, retsina en vooral goedkoop eten, behalve natuurlijk als je je door de commercie laat bedotten en in een drukbezocht toeristenoord belandt. Dan vliegen de euro’s zomaar uit je zak.

Waar ik me over verbaas zijn die talloze naïeve Nederlanders die ik op het internet voorbij zie komen met hun wens of voornemen naar Griekenland te emigreren. Het is mijn tweede vaderland, ik heb er familie en vrienden en ik ben er niet voor niets regelmatig, maar wonen? Alleen al de gezondheidszorg. Uitstekende artsen, voor zover niet om de verdiensten uitgeweken naar het buitenland, en prima verzorging, maar wel alleen als je een particulier ziekenhuis kunt betalen. Zo niet dan ben je aan de goden overgeleverd. Als voormalig hartpatiënt durf ik nog steeds niet te bedenken hoeveel AED’s er in Thessaloniki zijn te vinden. En dan hebben we nog de bureaucratie. Ja, de belastingdienst stuurt een beleefd bedankje als je je aangifte hebt gedaan en de beste wensen met Nieuwjaar, maar heeft evengoed schijt aan het belastingverdrag met Nederland. Althans, de ambtenaren op het kantoor waar ik onder val. Ik vermoed dat enkele bankbiljetten daarin verandering zouden kunnen brengen, maar daar ben ik te Nederlands voor terwijl ik ernstig hoop dat mijn vermoeden ongegrond is.

Toen ik gisteren een zonnige wandeling maakte via Prigipos, het fraaie Jugendstilcafé schuin tegenover het geboortehuis van Mustafa Kemal (Ataturk), naar Baraka aan het Navarinoplein, voelde ik me echter buitengewoon gelukkig. Een gevoel dat me zelden overkomt, behalve in Thessaloniki. Ik denk wel regelmatig met enige weemoed aan de jaren met Stella, maar ook met warmte aan de mensen die ik hier ken. De stad geeft me bovendien een gevoel van vrijheid en zelfs enige mate van zorgeloosheid, dat me in Dordrecht zelden bekruipt, maar hier wonen? Nee, ondanks dat ik me in Thessaloniki heel senang voel en er als schrijver uitstekend kan werken, toch maar niet.