Tot in mijn twintiger jaren was ik een liefhebber van vuurwerk. Tot ik op een oudejaarsavond een brandend stuk vuurpijl in mijn nek kreeg. Een ongelukje waaraan niemand wat kon doen. De schade viel achteraf mee, maar voor mij hoefde het niet meer. Ik kan die knallende types best begrijpen, maar ik begrijp de tegenstanders van vuurwerk met de jaren meer en meer.

Wij Nederlanders hebben een bijzondere eigenschap: we slaan gemakkelijk door in van alles en nog wat. Of we bedrijven massaal de vrije liefde, zoals eind jaren zestig, begin jaren zeventig, of flirten is bijna een doodzonde in het huidige, superpreutse tijdsgewricht. Ja, nu sla ik zelf een beetje door, ik ben tenslotte ook Nederlander, maar van het redelijk onschuldige vuurwerk uit mijn jonge jaren zijn we beland in een oorlogstoestand waarin knallers met de kracht van een handgranaat worden afgestoken.

Als er ergens in een zaal waar dominostenen op hun kant worden gezet om in het Guiness Book of Records te komen een mus rondvliegt die wordt afgeschoten omdat het beestje de recordpoging bedreigt, is het land te klein. Als een gevaarlijke wolf wordt afgeschoten komen er protestdemonstraties en strooien toetsenbordidioten met doodsbedreigingen, maar met oud en nieuw interesseert dierenleed de knallende Nederlander geen reet. Aan het milieu heeft hij ook schijt, evenals aan de doden en gewonden, en voor de miljoenenschade moet een ander maar opdraaien. Ik hoor het Asterix al zeggen: ‘Rare jongens, die Nederlanders’. Volgend jaar moet het uit zijn met de oorlog van 31 december. Ik hoop dat het lukt.