Het was een mooi en ontroerend afscheid van nicht Magda in de aula van crematorium ’t Lief in Beesd. Een bijzonder crematorium in de natuur, heel anders van sfeer dan de Essenhof, waar ik al te vaak in mijn leven ben geweest. Ik moest met de trein van Dordrecht naar Beesd, dat ligt aan de Merwede-Lingelijn. Een trein waarin je wel je fiets kunt meenemen, maar waar toiletten ontbreken. Ik mistte hem op de terugreis bijna, maar de machinist zag me aankomen en wachtte even, wat ik heel aardig vond. Als je uitstapt op station Beesd is de eerste gedachte ‘in wat voor negerij ben ik terechtgekomen?’ Een perron in de leegte, met een paar honderd meter verder een tankstation, een autodealer en een soort aannemer, te oordelen aan de troep op het erf. De weg naar het crematorium is geheel boom- en dus schaduwloos, wat een wandeling op een snikhete dag als gisteren niet echt tot een genoegen maakt.

Na de ceremonie werd een lunch aangeboden in restaurant De Stapelbakker, gelegen in de Heerlijkheid Mariënwaerd. Een soort reünie, al was de aanleiding verdrietig. Ik at een pannenkoek met kaas en sambal, een bijzondere combinatie die me goed beviel. Bij heet weer hoort heet eten, de rijsttafel is niet voor niets in Nederlands-Indië ontstaan.

Ik werd na afloop afgezet bij het ‘station’, wat me een wandeling door de hitte bespaarde. Terug in Dordrecht verviel ik al snel in de routine van alle dag. Naar de verswinkel voor het avondeten en daarna op de fiets om verslag te doen op het terras van Visser. Op de terugweg daarvan reed ik langs pizzeria Olivia in de Vriesestraat, honderdvijftig meter vanwaar ooit mijn geboortehuis stond. Ze hadden nog een tafel vrij op het terras. De salade van de verswinkel zal vanavond ook nog wel vers zijn.