
Na de Kapani even de pas erin gezet, voor zover mogelijk met mijn rug, richting de logistria, de boekhoudster, die haar oude, afgetrapte kantoor in de omgeving van het station heeft omgeruild voor een schoon, fris en gezellig ingerichte ruimte in de buurt van het gerechtsgebouw. ‘Ik heb het gekocht’, deelde ze me trots mede, ‘en blijf hier tot mijn pensioen zitten.’ Ik maak dat niet meer mee, want ze is minstens veertig jaar jonger dan ik, maar toch mijn rots in de branding als ik het weer eens aan de stok heb met de Griekse bureaucratie. Ze heeft de belastingaangifte in orde gemaakt, waarop de AADE, de Griekse belastingdienst, mij een uitgebreide e-mail stuurde met dank en allerlei aanwijzingen hoe ik de aanslag, die er meteen op volgde, kan afdrukken. Buitengewoon correct, kom er bij de Nederlandse fiscus eens om, maar onnodig, want de boekhoudster, die heel toevallig ook Stella heet, had alles al afgedrukt en mij de papieren in een keurig mapje overhandigd. Nu alleen nog betalen, maar daarvoor heb ik tot eind juli de tijd.
Daarna ben ik een ouzootje gaan halen bij Chilai, een sfeervolle wijnbar annex restaurant met zeer charmante bediening, in de Agiou Mina, de straat waar ook het Joods Museum van Thessaloniki is gevestigd, maar dit terzijde. Aldus verzamelde ik de nodige energie om een taxi naar huis te zoeken, iets waarvoor je in Thessaloniki eerlijk gezegd weinig moeite hoeft te doen. Meestal loop ik naar de benedenstad, maar de steile straten omhoog naar mijn pied-à-terre zijn opa Klok tegenwoordig te veel en taxi’s kosten in verhouding met Nederland vrijwel niets.