herinneringen

Mooi geweest

 

Het was me het weekeinde wel weer. Een afscheidsborrel, een stadswandeling, een bruiloft, heerlijk weer en zondagmiddag ook nog even het staartje van het tweejaarlijkse stoomfestival in Dordrecht kunnen meepikken. Geen wonder dat ik gisteravond al om half elf in bed lag. Het was mooi geweest en bovendien ben ik een ochtendmens. Heerlijk om ’s morgens vroeg, als de dauw nog over de tuin ligt, mijn eitje met spek te eten.

De tuin moet trouwens hoognodig onder handen worden genomen, want het onkruid tiert welig. Veel van wat als onkruid wordt beschouwd mag van mij rustig groeien, maar grassen en woekerplanten die andere verstikken of dreigen de hele bodem te bedekken moeten er uit. Geen nood, morgen staat de hovenier voor de deur. Door het mooie weer van de afgelopen week zijn de rozen volop gaan bloeien en ook de planten die ik vorige week met  heb gehaald doen het goed. Ik houd van veel kleur in de tuin. Zo langzamerhand moet er wel een buitje vallen, bij voorkeur ’s nachts, want de regenton is nog maar voor een derde gevuld.

Het stoomfestival heb ik, na een rondje havens, grotendeels meebeleefd op het terras van de stamkroeg, het zal niemand verbazen. De stoomtrein die regelmatig langs ons huis reed deed me denken aan mijn grootvader, een van de laatsten die nog als meester op een stoomlocomotief heeft gereden. Ik moest ook veel denken aan Stella. Toen ze pas kennis had gemaakt met Dordrecht gingen we voor het eerst samen naar het stoomfestival. Terug naar het verleden, een romantische ervaring, al moest je in dat echte verleden wel rijk en kerngezond zijn om er van te kunnen genieten.

Door |2026-06-03T11:53:55+00:001 juni, 2026|Tags: , |0 Reacties

Grondig pleidooi

Na de fysio-fitness boodschappen en een uurtje rust. Ik sla de Trouw van gisteren op. Een leraar Nederlands, Joost van Driel, houdt er een pleidooi voor het afschaffen van het centraal eindexamen in het middelbaar onderwijs. Een grondig pleidooi waar ik het in grote lijnen mee eens ben. Meer dan dertig jaar heb ik in dat eindexamencircus meegedraaid. Eigenlijk nog iets langer, want in de eerste jaren nadat ik het onderwijs verliet surveilleerde ik nog regelmatig bij de eindexamens. Tot er niemand meer op school zat die nog les van me had gehad. Daarna ben ik ook gestopt om de diploma-uitreikingen bij te wonen, behalve als een kind van vrienden was geslaagd.

In die laatste jaren ergerde ik me dat er geen alcohol meer werd geschonken bij het feestje. Wat een betuttelende onzin, zeker bij het VWO. Na de zomervakantie gaan de meeste VWO’ers studeren en wat doe je vaak als eerste als je in een studentenhuis terechtkomt? De boel vol stouwen met bier. Die hele leeftijdgrens van zestien vind ik bezopen. Ik drink al vanaf mijn vijftiende en ben daar gewoon doctorandus in de geschiedenis mee geworden en nu weet ik wel dat ik niet de maat ben aller dingen, maar toch, slechter ben ik er nooit van geworden.

Ik moet de presentatie van Verborgen in het groen voorbereiden. Mijn literair-dagboek over 1989 en 1990. Andere tijden, dat mag je wel zeggen. Zelfs in de Verenigde Staten mocht je toen achter in een vliegtuig nog roken, al brak op de school waar ik destijds werkte al een fel conflict uit tussen rokers en niet-rokers. De laatsten werden aangevoerd door een zure docent gymnastiek die thuis een vrouw had die kettingrookte. Een typisch geval van je huwelijksfrustraties uitleven op anderen. Meer zeg ik er niet van, jullie lezen het wel in mijn boek.

Door |2026-05-08T11:07:42+00:008 mei, 2026|Tags: , |0 Reacties

Verloren zoon

De koffer staat gepakt, het wachten is op de taxi. Vanmorgen nog even koffie gedronken met familie bij Stori op het Plytaplein. Buitengewoon aardige bediening. Dat maakt de ellendige kou deze morgen een beetje goed. Een paar mooie dagen gehad tijdens mijn verblijf, maar voor de rest was het veel te koud voor de tijd van het jaar. Ik verblijf al negendertig jaar regelmatig in Griekenland, maar hier was ik niet op voorbereid. Ik had beter moeten weten. Een jaar of twaalf geleden was ik begin april op Samothraki, waar het ook kou lijden was. Volgende keer voor de zekerheid ook winterkleding mee. Zul je zien dat het bloedheet wordt.

Gisteren met vriend H. geluncht bij Zorbas in de Lisiou, het befaamde restaurant waar de legendarische Frans van Hasselt dagelijks at. Ik heb er veel aangename avonden met hem doorgebracht, tot hij in 2011 overleed. Zijn portret hangt nog steeds links van de ingang. Er zijn enkele nieuwe obers, maar ook ‘de jongens’, zoals Frans ze noemde, werken er nog. Ik word er altijd als een verloren zoon ontvangen.

Bij de lunch eerst rode wijn, daarna tsipouro en vervolgens de metro naar huis. Ik ben daarna niet meer de deur uitgegaan en heb me vermaakt met J.J. Voskuil. Hij heeft een oogje op een meisje van het Bureau, Mirjam. Die wordt op een gegeven ogenblik opgepakt op verdenking van het plaatsen van een bom. Ze bleek lid van de Rode Jeugd, een sektarisch, communistisch clubje. Het loopt met een sisser af, maar ik moest denken aan mijn vrienden T. en P., die lid waren van net zo’n gezelschap, de Socialistische Jeugd. De afdeling Dordrecht schilderde op een avond hakenkruisen op de ramen van een advocaat ter plekke, broer van een CHU-minister. Een belangrijke daad van protest uiteraard, met een diepgaand effect op de landelijke politiek. Ik mocht niet bij de SJ, want ik had ooit in een vrolijke bui verklaard dat ik boer Koekoek wel grappig vond. Sindsdien sta ik wantrouwend tegenover activisme, hoe goed de bedoelingen ook mogen zijn.

Ik moet het huis nog opruimen en het vuilnis naar de container brengen. Dan zijn we klaar voor de reis. Ik heb even via het internet gekeken. Ik vrees dat de koude van plan is met me mee te reizen. Het zij zo.

Door |2026-05-03T10:01:14+00:003 mei, 2026|Tags: , , , |0 Reacties

Dubbel verlies

Gisteren geluncht bij vrienden in Ano Toumba, onze vroegere buurt. Een voortreffelijke vismaaltijd. Ik heb nog altijd een gevoel van thuiskomen als ik in Ano Toumba ben, ook al is het markante meisjesweeshuis afgebroken en op die plaats een gezellig pleintje aangelegd. De bushalte daar heet nog steeds ‘Weeshuis’, om ons te herinneren aan wat er ooit was. Ik ga er morgen weer heen, voor mijn afspraak met de bank en een bezoek aan de kantoorboekhandel in de Tsiapanou, waar ik al vele jaren vulpotloden en ander schrijfgerei koop. In Dordrecht is in het hele centrum geen kantoorboekhandel meer te vinden, hier zijn ze er gelukkig nog volop.

Na de lunch moest ik zorgen op tijd te vertrekken want ’s avonds werd de bekerfinale tussen Paok en Ofi Kreta gespeeld. Dan heerst er een vrolijke chaos rond het Paok-stadion dat op vijf minuten lopen van ons vroegere appartement ligt, waardoor bussen en taxi’s niet of nauwelijks meer rijden. We konden in die tijd de wedstrijden zo’n beetje vanaf ons balkon volgen.

We volgden hem deze keer in gezelschap van de eigenaar en vrienden in Konaki. Tot verdriet van de aanwezigen verloor Paok in de verlenging met 2-3. Ofi Kreta werd jarenlang getraind door de Nederlander Gène Gerards. Omdat we het verlies even moesten verwerken onder het genot van wijn en fèta werd het laat. Voor mij was het eigenlijk een dubbel verlies, want FC Dordrecht ging vrijdag tijdens de laatste wedstrijd van het seizoen de teil in tegen Willem II, een club waarvan je als Schapenkop nooit wil verliezen. Ik vertelde dat ik ooit de Nederlandse trainer van Iraklis, Thijs Libregts, in het Kaftanzoglio-stadion heb geïnterviewd voor het tijdschrift Lychnari. Mijn zwager Menelaos was destijds atletiektrainer in dat stadion, waar Iraklis zijn thuiswedstrijden speelt, en Libregts zijn dochter een collega docent op mijn school. Twee ingangen! Het werd een prima interview, maar dit alles terzijde. Gelukkig is het vandaag zondag. Een onontbeerlijke rustdag met volop tijd om me weer in de wonderlijke wereld van J.J. Voskuil te verdiepen.

Door |2026-04-26T13:28:18+00:0026 april, 2026|Tags: , , , |0 Reacties

Akoestiek

Jaap Schlee (1948-2016), portret van Paul Léautaud. Tekening, potlood.

Gisteravond met  en haar moeder naar een concert door Merwe’s Oratorium Vereniging in de Augustijnenkerk. Het Requiem van Duruflé, het Stabat Mater van Josef Rheinberger en het lied ‘Verleih uns Frieden’ van Mendelssohn. Indrukwekkend mooi, met bijzondere begeleiding op het kerkorgel en door een vioolorkest. Ik moest aan mijn ouders denken, die in 1947 in de Augustijnenkerk zijn getrouwd en in het bijzonder aan mijn vader, die in onze tijd in de kosterswoning van de Remonstrantse kerk regelmatig op het orgel speelde. Toen we een bandje hadden, in de jaren zestig, repeteerden we weleens in de kerk, die de beste akoestiek van alle Dordtse kerken heeft. Soms speelde pa op het orgel een paar nummers mee.

Na afloop werd ik aangesproken door een dame die vroeg of ik Kees Klok was. Het bleek dat we klasgenoten waren op de Boermanschool. We hadden elkaar drieënzestig jaar geleden voor het laatst gezien. Dat ze me herkende na zo’n lange tijd! Misschien omdat mijn kop met enige regelmaat opduikt in de plaatselijke media?

’s Middags het portret van Paul Léautaud, getekend door Jaap Schlee, opgehaald bij de lijstenmaker in de Vriesestraat. Ik kocht het een paar jaar geleden tijdens een tentoonstelling in Pictura, waarna het lang in een map op mijn werkkamer stond. Hij hangt nu in de woonkamer naast het schilderij van Dimitris Xonoglu. Het was een aangename zestien graden toen ik naar het centrum fietste, na afloop van het concert was het rond het vriespunt. Dat was even slikken.

Altijd wat

Ik ben niet zo van het centen tellen en zelden te beroerd om een fooi te geven, maar vanavond heb ik voor de aardigheid eens gekeken hoeveel ik deze maand, die nog niet eens helemaal voorbij is, in mijn stamkroeg heb uitgegeven: zeshonderdachtentwintig euro. Daar moet ik toch eens even bij stilstaan. Ik weet het, ik ben wel van ‘gezelligheid kent geen tijd’, maar daarbij vergeet je weleens dat er ook een prijskaartje aan hangt. Nu is dat geld niet alleen opgegaan aan drank, we nuttigen ook iedere week een lekkere stamppot ter plekke en anderhalve week geleden hadden we een heerlijke en dolgezellige Franse maaltijd, maar toch heb ik een beetje het gevoel dat ik niet echt in de wieg ben gelegd voor minister van financiën.

Ik heb de calculator maar snel weggelegd en de laatste pagina’s van de drukproef van Verscholen in het groen doorgenomen. Er moest nog een probleempje worden opgelost: de oneven paginanummers stonden een regel hoger dan de even. Dat bleek een zaak van een verkeerd vinkje te zijn, maar het duurt even voor je, als halve digibeet, zoiets door hebt.

Er komt voor de zekerheid nog een tweede drukproef om door te nemen, maar daarna is het basta. Uiteraard zal er ergens wel een typefoutje in de tekst overblijven, maar daar haal ik dan mijn schouders over op. In het eerste deel van mijn serie literaire dagboeken, verschenen onder de titel En vooral: de gordijnen dicht, komen ergens oplaatbare batterijen voor. Het heeft jaren geduurd voordat iemand opviel dat het oplaadbare moest zijn en toen ik er door die lezer over werd beknord, moest ik eerlijk gezegd hartelijk lachen.

Vanmorgen luisterde ik op Radio1 uiteraard naar Onvoltooid Verleden Tijd terwijl de regen op de lichtluiken kletterde. Ik moest even denken aan de gitaarlessen die ik halverwege de jaren zestig kreeg. Dat ging met liedjes als Ritme van de regen en Brandend zand. Die gitaar heb ik nog steeds, al heb ik hem in geen veertig jaar meer aangeraakt. Toen ik vanmiddag het huis verliet om in de stamkroeg mijn zuurverdiende centen te gaan uitgeven, was het ritme van de regen gelukkig verstomd, alleen die ellendige, harde wind vertikte het om te gaan liggen.

Door |2026-02-22T21:49:48+00:0022 februari, 2026|Tags: , , |0 Reacties

Zestig

Hoorde ik Ronald Giphart zojuist bij het begin van De Taalstaat nu zeggen dat Kees Buddingh’ zijn voornaam met een C is? Ik hoorde het niet goed omdat de afzuigkap aanstond, anders gaat tijdens het bakken van mijn eieren met spek de rookmelder loeien, dus wellicht vergis ik me. Ik hoop het maar, want anders zou het een kleine blamage zijn. Zoals de naam Cees op Buddingh’s grafsteen geen kleine blamage is, maar een wonderlijk negeren van des schrijvers wensen, zoals iedereen weet die de dagboeken van Buddingh’ heeft gelezen.

Ik was drieëntwintig toen ik als onderwijzer begon op de Openbare Lagere School nummer drie in de Hoogstraat in Hendrik-Ido-Ambacht. Ik had daar de derde klas. Kindertjes van rond de negen, die nu rond de zestig zijn. Een van hen, Astrid, schreef daar gisteren iets over op Facebook. Zestig, evenals Ronald Giphart. Toen ik kwekeling (toch een veel mooier woord dan stagiair) was op School Vest in Dordrecht, dezelfde waarvan ik aan het eind van de tweede wegens wangedrag werd verwijderd, liep daar ook de kleine Ronald Giphart rond, maar dit terzijde.

De Taalstaat is een van mijn favoriete radioprogramma’s, evenals OVT en Met het oog op morgen. Op zaterdag- en zondagmorgen moeten ze me niet bellen tussen respectievelijk elf en een en tien en twaalf, dan neem ik eenvoudig niet op. Ik ben veel meer een radiomens dan een televisiemens. Voordeel van de radio is dat je er al luisterend iets bij kunt doen. Een gedicht schrijven of zoals nu, heel toepasselijk tijdens De Taalstaat, het corrigeren van een drukproef.

Door |2026-02-14T11:03:18+00:0014 februari, 2026|Tags: , , |0 Reacties

Rond de Reeweg

Met  gisteren naar Muziek rond de Reeweg geweest. Drie optredens bij mensen thuis. Vroeger zeiden ze ’tussen de schuifdeuren’, maar in de meeste huizen zijn de schuifdeuren weggehaald. Ook het onze is door vorige bewoners op die wijze onherstelbaar verminkt. Het waren vrolijk stemmende optredens, in de Madoerastraat, op de Reehof en in de Bankastraat.

De Madoerastraat was een appartement in de voormalige Ambachtsschool. Die is, anders dan de HTS, ontsnapt aan de sloopwoede van de gemeente. Iets verderop vonden we de Reehof. Ik woon nu zesenveertig jaar in het Reeland, maar van die hof had ik nog nooit gehoord. Een stuk grond tussen de Reeweg en de spoorlijn naar Gorinchem. Vroeger stonden er kassen, nu dus die hof. De ingang ligt tegenover de Ceramstraat, waar ik weleens wijn koop. Misschien moet ik opmerkzamer zijn als ik door mijn eigen buurt fiets.

Ik eindigde in de Bankastraat, vlakbij het Halmaheiraplein. Lé ging nog naar een vierde optreden, maar ik vond dat te laat worden en ben door de Bankastraat naar Visser gefietst. Daar noteerde ik, bij gebrek aan mijn notitieboekje, in mijn telefoon een eerste aanzet voor het gedicht Vraag me niet. Dat gaat over wat ik in de Bankastraat allemaal heb gezien of meegemaakt en inmiddels is verdwenen. Het Gemeenteziekenhuis met daar tegenover de Ziekenverpleging, waar ik ter wereld ben gekomen. Het huis van Kees en Stientje Buddingh’ waar ik regelmatig te gast was. De woning van meester De Kramer, een van mijn onderwijzers op de J.W. Boermanschool, mijn school vanaf de derde klas. Op die plek staan nu appartementen. Wie in Dordt weet trouwens nog wie W.J. Boerman was?

Ik memoreerde het al: aan het eind van de Bankastraat, hoek Oranjelaan, is de HTS ook verdwenen. Er staan nu woningen en gelukkig niet eens in de vigerende blokkendoosarchitectuur die de saaiheid van de Stadswerven, de nieuwe wijk op de Staart, benadrukt. Bij het oversteken van de Oranjelaan miste ik het spoor met die langzaam voortsukkelende goederentrein en de man met de rode vlag, die altijd vooruit liep.

Het gedicht heb ik naar mezelf gemaild en vanmorgen afgemaakt. Het ligt nu op de plank om te rijpen, want je weet het nooit met gedichten. De ene dag ben je laaiend enthousiast, de volgende wacht nog weleens de prullenbak. Nog een paar dagen afwachten maar.

Door |2026-01-26T13:25:32+00:0026 januari, 2026|Tags: , , |0 Reacties

Het Oog

Ik luister naar de jubileumuitzending van Met het oog op morgen. Het programma bestaat vijftig jaar. Ik denk aan de keren dat ik er te gast was om het een en ander te vertellen over de toestand in Griekenland of op Cyprus. Ik heb er een aardig klokje aan overgehouden, dat op de schoorsteenmantel in mijn werkkamer staat, en een CD met muziek uit de uitzendingen.

Bijdragen aan het programma was altijd een genoegen. Je werd gastvrij ontvangen en soms ontmoette je interessante medegasten. Ik herinner me bijvoorbeeld Hedy d’ Ancona en wijlen Aad Veldhoen. Ik ontmoette er een paar keer een professor in de economie van Nyenrode, waarvan ik de naam ben vergeten. Dat ligt niet aan die econoom, ik ben gewoon slecht in namen. Ik zei weleens tegen mijn leerlingen: ‘Hadden jullie maar een nummer, dan wist ik wie wie was’.

Een van de presentatoren die grote indruk op me maakte was John Jansen van Galen. Een expert op het gebied van de geschiedenis van Suriname, al kwam ik om iets uit te leggen over Griekenland. Journalisten hebben de neiging om te vragen naar de toekomst, maar historici dienen daarover uiterst terughoudend te zijn. Het heden duiden is al ingewikkeld genoeg. Zo’n vraag over de toekomst werd me in Het Oog nooit gesteld.

John Jansen van Galen sloot zijn presentatie altijd af met een gedicht. Op een avond las hij tot mijn verbazing een gedicht uit mijn bundel In dit laagland. Afsluiten met een gedicht wordt niet meer gedaan. Desalniettemin luister ik nog altijd met genoegen naar Het Oog. Ik hoop dat het programma mij ruimschoots gaat overleven.

Door |2026-01-04T21:58:57+00:004 januari, 2026|Tags: , , |0 Reacties

De winter van ’63

Er ligt een dun laagje sneeuw, dus worden de sociale media gevuld met winterse foto’s. Zo bijzonder is sneeuw in Nederland tegenwoordig. Ik herinner me de winter van 1963, die zo streng was dat de rivieren rond het Eiland van Dordrecht waren bevroren, zodat we over het ijs naar mijn oom en tante in Zwijndrecht konden lopen. Sneeuw viel er toen iedere winter. In de pauze op school gooiden we sneeuwballen met kiezelsteentjes erin. Eentje ging door de ruit van het schoolhoofd. Dat was sensatie. Iedereen wist wie had gegooid, maar niemand die zijn mond open deed.

Aan het begin van het schooljaar 1963-64 ging ik naar mulo-Groenedijk. Ik was in de zesde klas van lieverlee afgezakt uit de meest rechtse rij, waar degenen zaten die toelatingsexamen voor de HBS mochten doen, naar bijna de meest linkse. Die moesten naar de huishoudschool of de LTS. Ik mocht nog net naar de MULO, waar ik evenmin zin had om iets uit te voeren. Pas nadat ik in de tweede was blijven zitten en mijn vader dreigde dat ik bij herhaling van zetten koekjes kon gaan omdraaien aan de lopende band in de Victoriafabriek, ging ik iets doen. Tenslotte slaagde ik met een rij achten en negens, een zesje voor tekenen en een vier voor wiskunde, maar dat lag aan de leraar. Later hoorde ik van een vriendje, die er een tijdje had gewerkt, dat er heel leuke meisjes waren bij de Victoria, maar toen was het te laat.

Er zijn mensen die beweren dat ‘later’ en ‘laat’ in dezelfde zin een stijlfout is. Van Karel van het Reve leerde ik dat je je daar niets van aan moet trekken. Karel van het Reve, welke middelbare scholier weet nog wie dat is?

Door |2026-01-03T14:39:08+00:003 januari, 2026|Tags: , |0 Reacties
Ga naar de bovenkant