Hoorde ik Ronald Giphart zojuist bij het begin van De Taalstaat nu zeggen dat Kees Buddingh’ zijn voornaam met een C is? Ik hoorde het niet goed omdat de afzuigkap aanstond, anders gaat tijdens het bakken van mijn eieren met spek de rookmelder loeien, dus wellicht vergis ik me. Ik hoop het maar, want anders zou het een kleine blamage zijn. Zoals de naam Cees op Buddingh’s grafsteen geen kleine blamage is, maar een wonderlijk negeren van des schrijvers wensen, zoals iedereen weet die de dagboeken van Buddingh’ heeft gelezen.

Ik was drieëntwintig toen ik als onderwijzer begon op de Openbare Lagere School nummer drie in de Hoogstraat in Hendrik-Ido-Ambacht. Ik had daar de derde klas. Kindertjes van rond de negen, die nu rond de zestig zijn. Een van hen, Astrid, schreef daar gisteren iets over op Facebook. Zestig, evenals Ronald Giphart. Toen ik kwekeling (toch een veel mooier woord dan stagiair) was op School Vest in Dordrecht, dezelfde waarvan ik aan het eind van de tweede wegens wangedrag werd verwijderd, liep daar ook de kleine Ronald Giphart rond, maar dit terzijde.

De Taalstaat is een van mijn favoriete radioprogramma’s, evenals OVT en Met het oog op morgen. Op zaterdag- en zondagmorgen moeten ze me niet bellen tussen respectievelijk elf en een en tien en twaalf, dan neem ik eenvoudig niet op. Ik ben veel meer een radiomens dan een televisiemens. Voordeel van de radio is dat je er al luisterend iets bij kunt doen. Een gedicht schrijven of zoals nu, heel toepasselijk tijdens De Taalstaat, het corrigeren van een drukproef.